fbpx

levensverhaal

Levensverhaal

 

In 2018 heb ik een 5 daagse training gedaan rondom mijn kleuroscoop. Ook hier zijn we met thema’s en zielsmissie aan de slag gegaan. Ik wil dus na mijn levensverhaal een terugblik doen op die training en dit samen met mijn levensverhaal gebruiken om de thema’s, gift en zielsmissie te bepalen.

 

Mijn jeugd.

Ik ben geboren op 23 januari 1972. Een flinke tijd te laat, volgens de berekeningen had ik net na nieuwjaar geboren moeten worden. Het was op een zondag, mijn moeder had het hele weekend het EK of WK schaatsten zitten kijken en vlak nadat Aart Schenk kampioen werd, werd ik geboren. Ik weet de tijd niet precies, maar ergens rond 19 uur.

Ik ben nog steeds gek op schaatsen kijken op tv en gebruik dit feit altijd als excuus: het is er niet met de paplepel ingegoten, maar zelfs onderdeel van mijn geboorteverhaal.

Ik ben de tweede in het gezin, met een broer die 2 jaar en 10 maanden oud is. 2.5 jaar later zou nog een broer geboren worden. Lang waren we met zijn drietjes, ik het enige meisje en dus de middelste. Toen ik 9.5 was, werd mijn zusje geboren.

Mijn ouders woonden pas 4 maanden in Tilburg toen ik geboren werd. Ze zijn, samen met het bedrijf waar mijn vader werkte van Den Haag (waar ze beiden geboren en getogen zijn) naar het zuiden verhuisd. Ik kan me zo voorstellen dat dat een chaotische tijd was.

Volgens mij was ik een vrolijk kind, met een flinke drive om de dingen zelf te doen. Mijn moeder grapt altijd dat “zelf doen” mijn eerste woordjes waren. Nog een leuke uit de overlevering (en hier is zelfs een foto van): ik liep met 11 maanden en één van mijn eerste stapjes waren op weg naar de kerstboom om een kransje te pakken. “zelf doen” en mijn hang naar zoetigheid in1 moment.

Als kind was ik gek op alles wat met knutselen te maken had. Ik bewaarde de oude tijdschriften van mijn moeder om collages mee te maken en ideeeen uit te halen, ik verzamelde elke herfst weer een hele zooi aan bladeren, eikels, beukenootjes en denne-appels om van alles mee te doen. Tekenen, schilderen, knutselen. Ik heb er heel wat uurtjes mee gevuld.

In groep 8 heb ik van mijn moeder en haar vriendin leren naaien. Uren en uren heb ik de eettafel geclaimd omdat ik een patroon moest uittekenen, stof moest knippen en plaats nodig had voor de naaimachine. Na een tijdje begon ik patronen een beetje te veranderen  en later zocht ik patronen om aan te passen aan een idee/ontwerp dat ik had. Het geheel van 0 opbouwen van een eigen patroon heb ik ook nog een tijdje geprobeerd, maar dat beviel niet zo. Ik vond het leuker om mijn ideeeen en een aantal verschilldende patronen samen te voegen tot 1 nieuw kledingstuk.

Overigens was ik niet zo goed in netjes werken, de binnenkant zag er vaak niet uit!. Daar had ik dan weer het geduld niet voor. Het moest af, het moest draagbaar zijn, er goed genoeg uitzien en ik wilde verder met nieuwe ideeen. Vaak heb ik mijn leven gehoord dat mensen die ook zelf kleding maken willen dat je aan de buitenkant niet ziet dat het zelf gemaakt was. Daar had ik geen last van: iedereen mocht het zien, ik had het toch ook zelf gemaakt? Waarom zou je dan doen alsof dat niet zo is?

Deze instelling was overigens minder als ik voor anderen iets maakte en vooral als ze me ervoor wilde betalen. Dat stond voor mij toch gelijk aan kopen en dat moest gewoon goed zijn. Ik heb dat dus ook niet zoveel gedaan. Wel veel cadeautjes gemaakt voor mensen, bijvoorbeeld bij geboortes. Of gordijnen, wiegbekleding en dat soort dingen.

Het naaien is een in de loop der tijd wat minder geworden. Tot mijn zusje vroeg of ik voor haar bruiloft de jurkjes voor de bruidsmeisjes wilde maken. Ook nu duidelijk met haar afgesproken dat ik voor 3 jurken zou zorgen die er van buiten mooi uitzagen, maar dat ik me niet te druk zou maken over de binnenkant. De bruidsmeisjes waren 0, 5 en 14 jaar (haar eigen dochters en mijn jongste). Dat hele proces om 3 totaal verschillende jurkjes (van mijn zus mochten ze zelf kiezen wat voor soort jurk ze wilden en mijn nichtje van 5 koos natuurlijk een prinsessenjurk die mijn tiener van 14 echt niet meer aan wilde) bij elkaar te laten passen, het zoeken naar patronen en stof en het vervolgens maken, was heerlijk. Sindsdien probeer ik het (met wisselend succes) weer op te pakken .

Ik groeide op in een fijn gezin. Er was altijd voldoende ruimte om te spelen en je eigen ding te doen. We hadden allemaal een eigen kamer, een tijd lang zelfs een speelkamer en mochten ook altijd in de woonkamer troep maken. Er waren wel van jongs af aan al duidelijke grenzen: spelen in de woonkamer doe je ‘achter’ (niet in de zithoek), ballen zijn voor buiten en we hielpen al snel mee met klusjes in huis, vooral tafel dekken en afwassen. Hoewel mijn vader werkte en mijn moeder thuis was, heb ik van jongs af aan meegekregen dat mijn vader van alles in huis deed. Toen mama zwanger was van Mieke, besloot mijn vader dat zij na het avondeten op de bank mocht (slapen). Vanaf dat moment, deden wij de afwas in beurten met mijn vader. En dat is zo gebleven. Ook toen de afwasmachine kwam. Voor mijn gevoel zijn de keren dat zij na het avondeten nog in de keuken kwam, totdat ik het huis uit ging, op 1 hand te tellen.

Zo waren er nog meer vaste patronen in ons gezin:

  • Als papa de krant las, was hij ‘van de wereld’ en werd hij niet gestoord. Dat kon ook niet, hij hoorde je toch niet (natuurlijk was het wel leuk om de krant weg te slaan)
  • Om 20.00 uur keken we altijd journaal. Wat er ook op de andere zenders was. Behalve bij belangrijke sportwedstrijden
  • Op zondagavond keken we Studio Sport. Ook daar werd amper vanaf geweken.
  • Vlak voor mijn vader thuiskwam van werk, gilde mijn moeder: “wybe komt bijna thuis, er staan nog spullen in de gang”. Wij stonden dan altijd op van onze bezigheden om onze neer gesmeten schoenen en schooltassen naar boven te brengen. Mijn vader had een hekel aan rommel en mijn moeder wilde niet dat hij meteen ging opruimen als hij thuis was. Met dit ritueel werd dat voorkomen….

Een belangrijk ding was denk ik wel dat je bij ons wel mocht huilen, maar vooral niet te lang. Mijn ouders zijn in of kort na de oorlog geboren en opgevoed met ‘niet lullen, maar aanpakken’. Vooral in mijn moeders familie is ‘vooral doorgaan’ een terugkerend motto. Dat kreeg in natuurlijk ook mee. Als we veel huilde of aan het drammen waren, moesten we dat op de gang doen. Of op je kamer. Aan de ene kant was het fijn om dit op een eigen plek te doen, aan de andere kant voelde het aan dat je er alleen bij mocht zijn als je vrolijk werd. Vooral dat heeft er voor gezorgd dat ik erg goed geworden ben in ‘doorgaan’, niet laten zien hoe je je echt voelde. Dit is 1 van de dingen die bij mij omgezet is naar dat je er alleen mag zijn als je je aan bepaalde regels houdt.

Ook later, in de pubertijd, was het toch wel vaak zo dat je puberen, mokken en zeuren maar op je kamer moest doen. De woonkamer was een happy place. Zoals gezegd had dit voor en nadelen: ik heb wel al vrij jong geleerd om een soort van te reflecteren. Ik mocht zo lang in de gang of op mijn kamer mokken als ik wilde, had als klein kind al het ‘recht’ om zelf te bepalen wanneer het klaar was en terug te gaan naar de woonkamer of keuken. Hoewel het soms echt wel als straf voelde, was het feit dat je zelf bepaalde wanneer je terug ging ook weer iets goeds. Daarnaast was er ruimte voor ondeugend zijn: in de gang was de kelderkast met de snoepjes en als mijn broertje slecht at en in de keuken verder moest eten, was daar een prullenbak….Mijn ouders hebben best geweten dat er eten in de prullenbak verdween en dat er soms stiekem in die kelderkast gedoken werd, maar besloten het te negeren. Ik vind het super dat ze dit zo deden en het het “recht om ondeugend te zijn en te denken dat je ermee weggekomen bent” ook geprobeerd toe te passen in de opvoeding van mijn kinderen.

Een ander voordeel was dat onze woonkamer over het algemeen echt een happy place was: vrienden waren altijd welkom, de sfeer was goed (de gebruikelijke ruzies daargelaten), er werd niet doorgezeurd over dingen die gebeurd waren. Mijn ouders waren niet zo van het uit ten treure uitpraten van dingen, we gingen weer door. We leerden te accepteren dat het zo was en gingen door. Later hoorde ik de term ‘agree to disagree’ en dat is echt iets dat ik van jongs af aan geleerd heb.

Die happy place was echt een gezinsplek. Die grote eettafel was meestal gevuld met ons. Hoewel we allemaal een eigen kamer hadden, werd er veel beneden gespeeld: mijn broertje met de lego aan tafel, mijn zusje met een kleurplaat of onder te tafel, tussen onze voeten, met haar pop, ik met de naaimachine en mijn broer met een suske en wiske. En mijn moeder met thee en kaakies. Allemaal aan tafel! Later zat er ook vaak iemand huiswerk te maken tussen de rest. Het was de plek waar ik mij het beste kon concentreren. Ook omdat mijn bureau op mijn kamer vol lag met tijdschriften, stiften, papier en ander creatief materiaal.

Dubbel dus: dezelfde regels die ervoor zorgde dat onze woonkamer zo’n ongelooflijk fijne plek was, waren ook de regels die mij het gevoel gaven dat ik er niet volledig mocht zijn, namelijk alleen als ik vrolijk was. Dat geldt ook voor de relatie met mijn broers en later mijn zus.

Ik kom uit een intelligent gezin. Mijn ouders hadden niet gestudeerd, maar meer omdat daar geen geld of ruimte voor was. Mijn vader heeft in mijn vroege jeugd nog veel avondschool gedaan en ook mijn moeder deed regelmatig een cursus. Ik kan me niet herinneren dat er ooit een onderwerp was, waarvan mijn ouders zeiden dat ze daar niets van wisten: ze doken er gewoon in en maakte het eigen.

Een slim gezin dus waar het opdoen van algemene ontwikkeling hoog in het vaandel stond: we gingen als vroeg naar de bieb, moesten allemaal sporten, hebben allemaal een korte of langere tijd een muziekinstrument gespeeld, hebben op dansles gezeten en moesten vanaf 15/16 jaar een bijbaantje zoeken. En natuurlijk keken wel elke dag om 20.00 uur naar het journaal en werd het lezen van de krant gestimuleerd. Als je vragen had over een onderwerp of over het nieuws, werd daar de tijd voor genomen.

Aan tafel met het avondeten werd er vaak een discussie gevoerd en juist die discussies waren lastig voor mij. Ik kon mijn mondje wel roeren en wist veel van veel zaken af, maar had toch altijd net een andere mening. Ook als kind bekeek ik dingen al van meerdere kanten. Als ik zo’n kant probeerde toe te lichten, ook al keek ik er zelf niet zo naar, werd het al snel gezien als mijn mening. Met het gevolg dat mijn broers en vader op me in gingen om me ervan te overtuigen dat het niet zo was. De discussies waren meestal heftig, er werd niet goed naar de ander geluisterd. Hoewel ik heel veel geleerd heb van de discussies, had ik altijd het gevoel dat ik verloor. Dat mijn mening er niet toe deed of juist gek was of ronduit niet waar. We waren nog jong en meningen en feiten liepen nogal eens door elkaar heen. En, eerlijk gezegd, we hadden geen goede voorzitter. Mijn vader deed mee en mijn moeder greep alleen in als het uit de hand liep of als ze er klaar mee was. (overigens luisterde iedereen meteen als mijn moeder zei dat het afgelopen was)

Als ik dus een topic vanuit meerdere kanten probeerde te belichten, was daar geen ruimte voor. Hierdoor waren de meningen vaak ook heel rechtlijning en daar had ik dan weer moeite mee. “Dat is nou eenmaal zo” was een zin waar ik toen al vaak moeite mee had in een discussie. Nu nog kan ik heel moeilijk een eenduidig antwoord geven op een vraag. Mijn antwoord begint meestal met “aan de ene kant….”

Naast deze discussies werd er ook veel verbaal gestoeid: scherpe opmerkingen, woordgrapjes en dergelijke. We stoeiden ook elke avond na het eten echt. Een minuut of 10 ofzo. Totdat mijn moeder zei dat het klaar was. Dan stopte we ook… Nog steeds heeft zij een natuurlijke autoriteit waar je u tegen zegt. Waarschijnlijk omdat we veel mochten en veel zelf mochten beslissen, waren de momenten dat ze ingreep gewoon goed. Daarnaast is ze de 11e in een gezien van 14 en de beste in ‘benen knijpen’. Als je niet ophield kwam ze meedoen en opgeven was altijd beter. Een fel klein vrouwtje, de beste in stoeien.

Ik, daar in tegen, was toen nog niet goed in stoeien (later heb ik het benen knijpen van haar geleerd) en werd dus ook meestal uitgelachten, vooral door mijn kleine broertje. Ook bij het verbaal stoeien en scherpe opmerkingen maken ging het natuurlijk vooral om leedvermaak / uitlachen. Het was allemaal vriendschappelijk, maar heeft er bij mij toch ingehakt. Het totaal van discussies, scherpe opmerkingen en uitgelachen worden heeft geleid tot nog meer een gevoel dat ik niet serieus genomen werd.

Dit heeft twee keer geleid tot een ‘clash’. De eerste keer was ik in de pubertijd, toch al een onzekere tijd. Mijn vader zat tegenover mij met het avondeten en had al een paar keer, tussen de gewone gesprekken door, gezegd dat ik netjes moest eten. Ineens zei hei “je eet als een boer”. Van het ene op het ander moment ging er ene knop om: ik werd zo boos, voelde dit als een ongelooflijke belediging voor de boeren en heb zoiets geroepen als: “waar slaat dat nou op, dat zijn ook gewoon mensen en die hebben ook gevoelens”, maar dan veel uitgebreider en bozer. Daarna ben ik boos naar boven gestormd. Deze uitbarsting kwam voor de rest totaal onverwacht (ik had er ook niet zoveel tijdens mijn pubertijd). Iedereen was nogal verbaasd, maar op weg naar boven hoorde ik mijn broers al heel hard lachen. Dat ik op dat moment veel om ging met een jongen uit mijn klas die een boerenzoon was, en stiekem wel een beetje gek om hem was, maakte voor hen het geheel nog grappiger.

Ik heb zoveel grappen over dit voorval moeten horen. En nog komt het af en toe terug. Ik snap nu dat dit eigenlijk een uiting was van mijn eigen onzekerheid: ik mag er ook zijn (of eigenlijk: iedereen mag er zijn), met mijn gevoelens en alles wat daarbij hoort.

De tweede keer was al later. Ik woonde al op kamers en met een familie bijeenkomst speelden we een potje RISK. Mijn broertje wilde allemaal bondjes maken, politieke allianties smeden en dergelijke om het spel zo lang mogelijk te laten duren. Nou heb ik altijd al een hekel gehad aan spellen die geen duidelijk en bereikbaar einden kennen. En dit gebeurde vroeger ook vaak als we met zijn 3en Monopoly speelden.
Ik begrijp dat niet: het bondjes maken, afspraken met de  één en dan een aantal ronden later weer met de ander. Afspraken maken en er een tijdje later weer van af stappen. Net de echte wereldpolitiek en ik kan dat niet, snap dat niet, wordt er onzeker van en wil het ook eigenlijk niet snappen. Buiten dat, wordt het spel er eindeloos mee gerekt.

Omdat ik perse wilde dat we volgens de spelregels zouden spelen en de rest niet of in mindere mate, ontstond er een discussie. Ook hier kwam het ‘niet gezien en gehoord worden’ als een klap boven. Letterlijk, want na een tijdje heb ik het speelbord voor legers omgegooid en ben boos weggestormd.

Ook dit hoor ik nog steeds. En sindsdien doe ik met mijn broers geen RISK en Monopoly meer.

Ook in de discussies heb ik me aangepast. In die zin dat ik gewoon niet meer mee doen. Zowel mijn vader als mijn broers en zus zitten veel in hun hoofd. Zijn vrij rechtlijnig.

Ik ben gevoeliger, ben meer met spiritualiteit bezig, ben als eerste me gaan verdiepen in voedsel en biologisch eten, in minder vlees eten , in het milieu, werken met kruiden en etherische olie en dergelijke. Hierdoor heb ik een ‘status aparte’ in de familie.

Vroeger vond ik het heel erg dat ik die status had, totdat ik erachter kwam dat het makkelijker was hem te cultiveren. Ik heb een fantastische familie en kwam er op een gegeven moment achter dat ik beter mijn status als ‘vreemde’ en ‘lieve heks’ kon cultiveren dan proberen de rest mee te krijgen. Hierdoor kon ik de band met mijn familie vast houden, want dat wil ik heel graag. Want ondanks alles hierboven, zijn dat elementen uit mijn jeugd. Elementen die op mij veel impact hadden, maar elementen. Er zijn veel meer elementen met mooie herinneringen en goede dingen in mijn opvoeding. Ik ben één van de weinige die zegt: als ik mijn kinderen net zo opvoed als mijn moeder ons, dan ben ik er superblij mee”. We staan altijd voor elkaar klaar, hebben een hoop lol samen. Ik heb gewoon geleerd om een portie geduld en zelfspot mee te nemen. Om te “agree to disagree”

Toch deed (en soms nog) pijn dat ik niet serieus genomen wordt en daarom houd ik op veel onderwerpen nog steeds mijn mond. Het grappige is dat mijn broers en zus nu bezig zijn met onderwerpen waar ik 10 of 20 jaar geleden mee bezig was. Omdat ze dat zelf niet altijd zien (vooral mijn zus) nemen ze mijn ervaring op dat onderwerp nog niet serieus.

Gelukkig kan ik nu in dat soort gevallen wel steeds beter de thema’s die zij en ik allemaal nog meenemen in die gesprekken. Hierdoor kan ik het meestal accepteren en laten voor wat het is en vooral voor wie het is.

Het cultiveren van mijn status aparte als bomenknuffelaar, lieve heks e.d. heb ik ook doorgevoerd in de rest van mijn leven. De later er aan toegevoegde rol als kunstenaar heeft dit nog versterkt. Ik heb weinig mensen om me heen die op hetzelfde level zitten als ik. De mannenenergie en het 3d denken zijn veel om me heen. Als kunstenaar wordt het wat makkelijker geaccepteerd dat je apart bent/ een andere kijk op dingen. Dit schept openingen tot gesprek, vooral als mensen merken dat ik daarin de ander in zijn waarde laat en de nodige humor en relativeringsvermogen meebreng.

Bijvoorbeeld de wandelvakantie twee jaar terug, met allemaal die hard wandeltypes. Ik maakte heel andere foto’s dan de rest van de groep. De eerste twee dagen hebben we daar met zijn allen hartelijk om gelachen: als zij doorliepen, zag ik iets moois en als zij iets moois zagen, was ik de enige die geen foto maakte. Totdat iemand op dag drie tijdens het avondeten ineens naar mijn foto’s vroeg en zich oprecht afvroeg wat ik zag in bepaalde foto’s. Dat leidde tot een heel mooi gesprek over kijken, de natuur, kleine en grote schoonheid. In de rest van de week, merkte ik dat een aantal in de groep probeerde te kijken zoals ik deed. Ze namen er geen foto van, maar wezen mij erop: dat vind je vast mooi.

Er is nog 1 ander moment waarop ik me ‘niet gezien’ voelde. Verstandelijk ben ik daar nu blij om, maar toch. Toen ik 4 of 5 was ben ik tijdens het buitenspelen samen met een vriendinnetje van 6/7 mee gelokt door een man. Hij maakte het heel bijzonder en spannend. Hij opende een deur van een oud schoolgebouw (achteraf brak hij in) en we gingen een kamertje in. Mijn vriendin moest zich uitkleden en ik moest alleen mijn schoenen en sokken uit doen. Hij bracht het allemaal heel spannend en als een spelletje en hoe bijzonder mijn vriendin was. Hij heeft mijn vriendinnetje toen misbruikt. Ik heb dat gezien, zat er bij op de grond. Snapte niet wat hij deed, maar voelde wel dat het niet goed was. Ik weet bijna zeker dat hij niet bij haar binnengedrongen is, maar hij heeft wel met zijn penis bij haar vagina zitten rommelen. Ik weet nog dat ik geen fijn gevoel had, de spanning nam toe, maar vanwege de manier waarop hij het bracht, voelde ik me ook buitengesloten. Waarom zij wel en ik niet? Ineens stopte het, moest zij zich aankleden en ik mijn sokken en schoenen aan doen. Ik denk dat hij gestoord is, dat weet ik niet meer. We werden naar huis gestuurd. Het kan dus zijn dat ik de dans ontsprongen ben. Of dat het binnendringen bij mijn vriendin nog moest gebeuren. Dat is allemaal achteraf. Toen wist ik niet zo goed wat er gebeurde, ik kan me ook niet herinneren hoe lang alles duurde. We werden naar huis gestuurd, we waren niet ver van huis, wisten de weg, maar wisten ook dat we daar eigenlijk niet mochten komen…..

We kregen geen straf. Ik werd op de kruk gezet en een huilende moeder knuffelde me bijna dood. Pas toen we foto’s moesten kijken op het politiebureau begon het door te dringen dat er toch echt iets fouts gebeurd was, maar ik had altijd door dat dat bij die man lag en dat ik welliswaar niet met hem mee had mogen gaan, maar dat iedereen wel begreep dat we dat gedaan hadden. We wilden die meneer immers alleen maar helpen met zijn fietssleutel terugvinden.

Ik kan me niet herinneren dat er later, nadat we klaar waren bij de politie, nog over gesproken is. Ik weet bijvoorbeeld ook niet of die man gepakt is. Mijn vriendin en ik hebben er ook niet meer over gesproken en zelfs een tijdje minder met elkaar gespeeld. Ik dacht dat ik hier niks aan over gehouden had. Toen mijn oudste een peuter was  en hij wat verder bij mij vandaan liep in de stad, was ik niet bang dat hij kwijt zou raken, maar dat hij meegenomen zou worden. Panisch bijna. Door dit met mijn man te bespreken en erop te voelen  (hij wist het niet eens), heb ik hierop geheeld. Toen is ook het besef gekomen dat ik me buitengesloten voelde. Mijn verstand kon hier helemaal niks mee. Met de kennis van nu is het raar dat ik me toen buitengesloten voelde. Het heeft even geduurd voordat ik begrip had meisje van toen en haar kon vergeven.

 

Mijn jeugd toch vooral mooi. Ik kijk er met veel liefde, warmte en dankbaarheid op terug. Mijn ouders waren er goed in om ons verantwoordelijkheid te geven en ons onze eigen keuzes te laten maken. Terugkijkend werden we echt stap voor stap voorbereid op het volwassen leven: we hadden al jong zak- en kleedgeld, mochten sneller dan vrienden op de fiets naar de stad of met de trein naar opa en oma of alleen op vakantie. Steeds een stapje verder. Ze vertrouwde ons om de juiste keuzes te maken en stonden klaar als die keuzes niet juist waren of niet goed uit pakte. Niet beschermend, maar reeel. Toen mijn broer en zijn vrienden opzettelijk iets gesloopt hadden en dat moesten vergoeden, werd er een plan gemaakt: mijn ouders betaalde mijn broers deel en hoe dacht hij dat aan ze terug te betalen?

Familie is belangrijk bij ons en vriendschappen ook. We gaan (nog steeds) 1x per jaar op familiekamp al vanaf dat ik baby was. Mijn moeder heeft veel broers en zussen. Vroeger gingen we dus met opa en oma, mijn ooms en tantes en mijn neven en nichten. Daar kwam aanhang bij, achterneven en nichten en later hun aanhang en nu hebben zelfs een aantal achterneven en nichten al kinderen. En alles samen op 1 veld. Elk jaar doen we ongeveer hetzelfde en vrijwel alles wordt op familiekamp of in de laatste week geregeld, behalve het regelen van de locatie die gewoon elk jaar vaststaat. Bijkletsen, sporten, feesten. Dat doen we vooral. Vroeger rond het kampvuur, nu ’s avonds in de schuur en overdag gewoon op het veld. Voor mij is het heel bijzonder om binnen die grote groep de overeenkomsten te zien. Als pubers vergeleken we met elkaar wat we de week ervoor gegeten hadden en welke koekjes er mee waren: dat was altijd ongeveer hetzelfde, namelijk dat wat in de aanbieding was. Ook mochten  we hier op een veilige manier voor het eerst drinken. Iedereen let op elkaar. Mijn eigen kinderen mogen met familiekamp ook eerder drinken dan thuis. Het is een goed oefenplek.

Ieder jaar leven we allemaal heel erg toe naar dit familiekamp en ik weet 100% zeker dat als ik ergens in het land strand en hulp nodig heb, dat ik terecht kan bij het dichtstbijzijnde familielid. Sommige zie ik alleen op familiekamp, maar we staan altijd voor elkaar klaar.

Ik vind het fantastisch om te zien hoe de waarde en normen van opa en oma terugkomen in al die generaties. Ik ben ook heel erg trots op mijn opa en oma. Als kind al.

Met de oma van vaderskant  lag dat wat gecompliceerder. Ik vond het er meestal saai tov de gezelligheid bij de andere opa en oma. We waren er de oudste en meestal ook alleen met ons gezin op visitie. Pas later, vanaf een jaar of 12 denk ik, kreeg ik vooral veel respect voor mijn oma. Het was een mooie, trotse vrouw. Steeds opnieuw stond ze op om te genieten van het leven. Tot op hoge leeftijd bleef ze actief.

Van opa en oma Hinfelaar zijn er een aantal levenslessen die echt zijn blijven hangen. Mijn opa zei altijd : “je moet lief zijn voor elkaar” en dat is zo’n beetje mijn levensmotto geworden. Daarbij valt onder ‘lief’ een heel scala aan dingen: respect hebben, elkaar dingen gunnen, luisteren, gewoon lief zijn, elkaar helpen enz enz.

Bij mijn oma stond op het bidprentje ongeveer het volgende: “haar wil om altijd vooruit te willen in het leven, het goede in een ander te zien en zo bij te dragen aan het beste in zichzelf en anderen”. Ik weet het niet precies meer. Oma overleed toen ik 15 was en dit bidprentje het ik om deze zin nog jaren als bladwijzer in mijn agenda gehad. Steeds als ik het moeilijk had, las ik het even door. Het is het enige bidprentje wat ik bewaard heb en staat nog steeds op mijn slaapkamer.

 

Ik denk dat er nog 1 belangrijk ding is in mijn jeugd voor dit verhaal. Op de middelbare school had ik een groepje vriendinnen uit de buurt en 1 goede vriendin die daar net een beetje buiten stond (Enid). Die laatste had heel wat thema’s te verwerken en dat trok mij aan. Zij besefte dat en ging erg aan mij hangen. We hebben samen heel veel leuke en gezellige dingen gedaan, maar ongeveer in de 4e werd zij steeds onzekerder en dat uitte zich in depri-buien, aandacht trekken van foute jongens en dergelijke. Ze werd thuis erg kort gehouden en ze wist mij zo te bespelen dat ik voor haar en met haar dat ging ontwijken. Steeds een stapje verder. Het was echt wel een soort van emotionele chantage en ondertussen ging ik steeds minder met andere vrienden om. Op een gegeven moment vroeg ze dingen van mij die echt tegen mijn gevoel in gingen: meestal liegen tegen haar ouders en 1 keer zou dat ook liegen tegen mijn ouders inhouden.

Ik heb hier echt mee gezeten, wist niet wat ik hiermee moest. Dacht dat ik haar kon helpen enz enz enz. Totdat ze dus inderdaad verwachtte dat ik tegen mijn ouders ging liegen. Toen barstte de bom en heb ik in 1 keer al het contact verbroken. Ik was niet in staat om mezelf te blijven bij haar, dus moest ik bij haar weg. Dat was een heftige tijd. Ze bleef nog lang zeuren om uitpraten enzo, maar daar had ik uit zelfbescherming geen zin in. Zelfs 5-6 later kwam ze daar nog eens op terug. Vlak na die breuk ging ik op fietskamp met school en daar waren die ander meiden ook bij. Midden in de nacht hadden we het erover en ik heb ze letterlijk gesmeekt om mij weer op te nemen in hun groepje. Ik dacht echt dat ze boos op mij waren. Zij gaven toe dat ze het er moeilijk mee hadden, maar vooral dat ze zich nogal zorgen om mijn gemaakt hadden de tijd ervoor.

 

Enid was erg goed in haar eigen drama, leefde van de aandacht die die drama opleverde. Dat had ik toen niet door. Ik wilde haar helpen om de positieve dingen te zien. Nu weet ik dat dat een hopeloze missie was, maar toen voelde ik me vooral mislukt als vriendin. Niet goed genoeg. Ik kon haar niet ‘redden’. Ze gleed steeds meer af in gek en destructief gedrag. Pas na de big bang breuk zak ik dat in. En zag ik in dat ze helemaal niet vooruit wilde.

Mijn wil om mensen te helpen is er nog steeds, maar ik pak het anders aan (meestal) en heb een allergie ontwikkeld voor mensen die blijven zwelgen in hun ellende. Daar kan ik gewoon geen geduld meer voor opbrengen. Het hoeven geen grote stappen te zijn, drie vooruit en twee terug is ook goed, maar je moet wel vooruit willen. Het een kans geven.

Studie, werken en gezin

 

Ik kom uit de generatie “een slimme meid is op haar toekomst voorbereid”. Ik merk de laatste tijd pas hoe succesvol die campagne bij mij is geweest: het is binnen gekomen en heeft zich heel diep genesteld. Toch wist ik al vrij snel dat ik heel veel thuis wilde zijn als ik eenmaal kinderen had. Liefst fulltime zorgen. Ik weet nog dat ik dit in een gesprek over mijn studiekeuze in de kring vol ooms en tantes zei en die waren totaal in shock. Hier ging het om een generatie die niet altijd kon gaan studeren en zij snapte niet dat ik, die wel alle kansen had, er niet met alles wat ik in me had gebruik van wilde maken. Ook thuis werd ik, zonder pushen, voorbereid op studeren en carriere maken. Het feit dat de weg voor me open lag, gaf mijn ouders een fijn gevoel.

Ik ging studeren en koos een veilige studie: veilig in de zin dat er veel werk in was (het was midden in de crisis van de jaren 80) en veilig omdat ik wist dat ik het aan zou kunnen. Ik gebruikte het eerste als argument om niet naar de kunstacademie te gaan, maar achteraf weet ik dat ik de kunstacademie ook te ver buiten mijn comfortzone vond.

Ook in mijn eerste baan was ik helemaal blij. Bij een organisatie verbonden aan mijn opleiding, met standplaats in het gebouw. Ik bleef gewoon nog een tijdje. En ik deed werk dat ik heerlijk vond: ik schreef lesmateriaal over een relatief nieuw onderwerp: Logistiek en milieu. Heel de dag mocht ik informatie verzamelen, verbanden zoeken, herorganiseren en verwerken. Ik merkte ook dat ik daar heel erg goed in was. En als ik nu terug kijk, lijkt het heel veel op wat ik deed met het samenstellen van een eigen patroon. Ook in mijn huidige werk als kunstenaar vind ik dat het leukste aspect aan werken in opdracht: informatie verzamelen en dat vertalen. Ik heb wel eens een blog geschreven over dit onderwerp. https://yvonfeenstra.nl/ik-ben-een-vertaler/

Daarna werd het aanrommelen qau werk: veel parttime want de kinderen werden geboren, af en toe bedrijfsleven en af en toe onderwijs. HBO (weer terug op het oude nest) en MBO. Gastouder geweest, bedrijfje begonnen en uiteindelijk de kunstenaar in mij los gelaten.

Maar bovenal was ik in die periode MOEDER en op en af depri.

In mijn tweede baan werd ik gepest. Ik was een bedreiging voor de mensen op de afdeling, die met zijn drietjes al jaren samenwerkte. Ze hadden ook al bedacht hoe het zou lopen als de logistiek manager met pensioen zou gaan. En toen kwam ik. Met de opdracht om mee te werken en te kijken hoe alles liep. Dat meewerken startte al lastig: ik moest dagenlang data overtypen omdat de verschillende systemen niet met elkaar konden praten. Frustatie en fouten en dus een aanleiding tot pesten.

Na 7 maanden was het op. Ik kwam huilend bij mijn ouders aan. Toen ik later naar mijn eigen huis reed, reed ik zonder het te merken half op de linker baan. Bijna een ongeluk. De volgende dag heb ik me ziek gemeld. In de periode die daarop volgde, het onderhandelen om uit elkaar te gaan, bleek ik onverwacht zwanger. Ontslaan was geen optie meer en het werd een rechtzaak. Daarin werd ik door het bedrijf neergezet als iemand die er na 7 maanden toch nog alles uit wilde halen.

De baan, waar ik met zo veel enthousiasme aan begon, die ik met mijn eigen vrolijke, open en misschien wat naieve manier wilde invullen, werd een aanval op mijn integriteit. Dus: zwanger, een soort van overspannen door het wegpesten. Het was geen makkelijke tijd. Maar het moeder-worden heeft me erdoor heen gesleept. Ik voelde heel sterk een verbondenheid met mijn vrouw zijn. Hiervoor is mijn lichaam (onder andere) gemaakt. En ook een hele sterke verbondenheid met de natuur: er gebeurde een wonder in mij, waar nog niemand invloed op had. In een wereld die me steeds vaker vreemd en nep leek, was dit nog zo echt en puur.

Een half jaar na de geboorte van Lars kreeg ik een postnatale depressie. Ik kon niet tegen het huilen van Lars, hoewel hij helemaal niet zo veel huilde. Op 1 moment voelde ik heel sterk de neiging om hem in bed te smijten, door elkaar te schudden of weet ik veel wat. Ik heb hem in bed gelegd, volgens mij niet heel zachtjes, maar zacht genoeg. Iig heb ik het smijten weten te onderdrukken. Ik zie mezelf daarna nog op de badrand zitten.

Ik, die altijd al moeder wilde worden, die zich de oervrouw voelde toen ik zwanger was, die zoveel mogelijk voor de kinderen wilde zorgen, Ik trok het niet. Ik ben naar de huisarts gegaan en kreeg een verwijzing voor het GGZ. Daar werd ik slecht geholpen. Ten eerste werd ik maar niet terug gebeld, ik heb zelf meerdere keren moeten bellen en daarna was er een wachtlijst van 4 maanden.

Ik had, door vooral heel veel niks doen, bij Lars op de grond zitten en de lat laag leggen, een manier gevonden om niet weer zo ver over de zeik te gaan dat ik Lars iets wilde aandoen. Ook met de hulp van Harold, die heel wat vroeger naar huis kwam of spontaan tussendoor als ik hem belde. Een collega van Harold had het over een magnetiseur gehad en haar heb ik gebeld. Ik kon gewoon niet vier maanden wachten op verbetering. Een schat van een vrouw, echte brabantse. Twee voeten op de grond, lief en met een gave. In het begin ging ik wel 2 tot 3 keer per week. Steeds een half uurtje. Of ze behandelde mij op afstand. Lars ging soms gewoon mee. “Het eerste wat we gaan doen, is jouw realtiveringsvermogen terugbrengen”, zei ze. Het eerste doel: dat ik weer kleine en grote problemen van elkaar kon onderscheiden, dat ik kleine problemen ook als zodanig zou benaderen en dat ik afkwam van mijn schuldgevoel naar Lars.

Ik denk dat zij de reden is dat ik me meer ben gaan verdiepen in spiritualiteit. De Happinez bestond pas en die begon ik te kopen. Ik gebruikte kleine plukjes uit de artikelen als een soort van mantra voor een tijdje. Soms sprak een persoon/artikel me zo aan dat ik er een boek van haalde bij de bieb. Ook dan gebruikte ik flarden en stukken die me aanspraken. Altijd kort. Ik weet nog wel dat ik baalde dat ik geen enkele methode / filosofie e.d. lang vol hield. Nu weet ik gewoon dat ik heel langzaam maar zeker mijn eigen manier bij elkaar aan het verzamelen was. Net als de patronen voor mijn kleding als kind en in mijn fijne eerste baan.

Ik ben diep geweest, die eerste keer, maar krabbelde wel op. Ik heb met eraan gedacht om er mee te stoppen, maar ergens was er iets dat wilde dat mijn kind mij leerde kennen, zich mij zou herinneren. Ik vond weg gaan een betere optie: een hutje op de hei, waar ik niemand tot last was. Maar waar ik de connectie met Lars niet helemaal zou verliezen. Tegelijkertijd vond ik mezelf laf omdat ik dit niet durfde door te zetten.

We woonden in een fijne buurt met fijne buurvrouwen en veel kinderen die samen speelden. Ik denk niet dat ze wisten wat er speelde, zoals de meesten het niet wisten of niet wisten hoe erg het was. Ik was erg goed in vrolijk doen. Zo goed dat ik me soms ook best vrolijk voelde. Er was alleen altijd die donkere onderlaag. Het magnetiseren hielp wel en precies op het punt dat ze gezegd had: mijn relativeringsvermogen kwam terug.

De grote ommekeer kwam echter toen ik voor de eerste keer gewoon open was tegen mijn buurvrouwen: ik heb een post-natale depressie. Vanaf dat moment ging het snel beter! Een andere gebeurtenis dat heel erg hielp en dat was rond dezelfde tijd, was een telefoontje van een vriendin. Zij woonde in Utrecht en haar had ik al vaker aan de lijn gehad. Zij wist van iedereen (op harold na) het meest hoe erg het was. Ik denk achteraf dat het goed was dat we vooral telefonisch contact hadden. Die barriere had ik nodig om open te zijn.

Op een gegeven moment belde ze, ik lag midden op de dag op bed met de televisie aan voor Lars. Ineens vroeg ik me af waarom zij toch maar bleef bellen. Ik weet niet meer of ik dat hardop gezegd heb of niet, maar na dat telefoontje had ik ineens iets van: als zij maar blijft bellen, zal er wel iets leuks zijn aan mij. Misschien moet ik dat zelf ook gaan opzoeken. En daar ben ik mee verder gegaan. Ik las het boek van Louise Hay en bedacht de mantra “ik hou van mezelf, ik respecteer mezelf” en daar viel ik de maanden daarna mee in slaap. Het gaf me rust, een warm gevoel en ik begon het te geloven, ik begon het te leven.

Nog steeds met behulp van stukken uit de Happinez, hoewel ik steeds vaker de diepte in ging en boeken bij de bieb haalde. In het begin las ik maar de helft van die boeken. Tegenwoordig lees ik bijna alles uit.

Ik en Harold waren toe aan een tweede. We dachten ook dat ik het weer aan zou kunnen. Ondertussen was ik tijdelijk aan het werk op het ROC. Ik werd snel zwanger, de hormonen gierden door mijn lijf met allerlei buien die erbij hoorden, maar nu kon ik er beter mee omgaan. Of eigenlijk, accepteren dat het zo was en wachten tot het over ging. De zwangerschap betekende dat mijn tijdelijke contract niet verlegd werd en we kozen ervoor dat ik na de bevalling een tijdje full time moeder zou zijn. Eigenlijk luchtte me dat op, ik zag best op tegen die tijd.

Aan het eind van de zwangerschap werd mijn opa ziek en overleed hij. Ik stond op het punt van bevallen. “s nachts droomde ik dat het kindje tijdens de begrafenisdienst geboren zou worden. In Den Haag. In de kerk van opa en oma. In een zijkamertje. Met de ene oom (huisarts) die hielp bij de bevalling en de andere oom (priester en hij zou ook die dienst doen) met ene bijbel in zijn hand erbij: ”Dit zou opa leuk gevonden hebben, zullen we het meteen dopen”. Opa kennende, was dat vast zo geweest… De volgende dag zou ik niet naar de uitvaart vertrekken zonder maxi cosi en kleding voor mijn kind en mezelf in de auto. “ik kan overal bevallen, maar mijn kind moet wel mee naar huis komen”. Uiteindelijk duurde het nog zeker een week.

Jolien was geen makkelijke: veel huilen, weinig slapen. Maar wel een ongelooflijk dotje. Hoewel het slopend was, kon ik het aan. De keuze om thuis te blijven was goed, want een baan erbij had ik nog niet aan gekund. Aan de andere kant, zat ik er nu vol in, zonder er echt even uit te zijn. Behalve mijn cursus glas in lood op donderdagavond: dat was mijn avond, mijn feestje. Ik was daar een jaar eerder mee gestart.

Ook nu na een half jaar een flinke dip, maar minder dan bij Lars. Dat het minder was en dat er dus iets van een patroon uit te halen was, gaf mij hoop en ik wist ondertussen hoe ik ermee om kon gaan en dat het weer over zou gaan. Ondanks de zware nachten en buien van Jolien, hadden we een mooi, fijn gezin. Financieel ging het steeds meter, er kwam luxe in huis en in de vakanties. Ik genoot, hoewel ik me onder de radar hield. Ik deed alles om stress en meer druk op mij te voorkomen. Achteraf denk ik dat ik te voorzichtig was. Ik hield mezelf klein, ook in onze relatie was er niet echt sprake van een evenwicht. Toch hadden we het goed.

Er zou een derde komen. Deze zwangerschap was anders. Nu begonnen de zware buien niet 6 maanden na de zwangerschap, maar meteen. Ik heb alle zeilen bij moeten zetten om de zwangerschap niet al te depressief door te komen. Dat lukte aardig. Een half uur na de bevalling het ik letterlijk gezegd: zo dat is eruit. En ik voelde me toen al betere dan de 9 maanden ervoor. Hierdoor had ik ineens ook een andere kraamtijd. Vrijer, vrolijker, meer in balans. De dip op 6 maanden bleef ook uit. Maar dat bleek stilte voor de storm.

Ik kreeg last van PMS. Vanaf de eisprong tot de start van mijn menstruatie was ik down. En had ik zwangerschapsverschijnselen. Dat was misschien nog wel erger want daar werd ik bang van. Ik wilde nooit meer zwanger zijn, die laatste had me bang gemaakt. Ik was ervan overtuigd dat een nieuwe zwangerschap slecht zou zijn voor de andere drie, mezelf en mijn relatie. Elke maand stress dus. En de PMS werd erger en erger. Uiteindelijk was ik twee weken vrolijk en twee weken depri. Elke maand weer. Het grote verschil met vroeger was, dat ik nu wist dat ik die twee weken even door moest komen en dat het dan weer goed was. Elke menstruatie werd met een opluchting verwelkomd.  Ik slikte niet de pil, daar kon ik al jaren niet meer tegen en na al dat gedoe met hormonen was ik ook angstig om vreemde hormonen in mijn lichaam te stoppen.

Toch ging in naar de gynaecoloog. We hebben een paar maanden verschillende pillen uitgeprobeerd omdat dat het enige wat mogelijk was: hopen dat externe hormonen mijn eigen hormonen zou tegenwerken. Uiteindelijk was de conclusie van hem ongeveer dat ik zoveel last had van mijn eigen hormonen, dat daar niks aan te doen was.

Echte rust vond ik op onze boot. Daar leek ik wel een ander mens. Het varen, het leven op het water. Wat een fantastische weekenden en vakanties hadden we daar. Ook Jolien (nog steeds niet makkelijk, vooral voor zichzelf) was een ander kind aan boord. Het hele gezin kwam tot rust en nog steeds zijn onze zeilvakanties hele bijzondere herinneringen.

Ik ben weer met alle externe hormonen gestopt en na een poosje terecht gekomen bij een klassiek homeopaat. Heel veel praten, heel veel vragen over hoe ik in elkaar zit, hoe ik denk, hoe ik voel en nog veel meer. Wat een inzichten heeft me dat gegeven. Ik kon er nog niet meteen iets mee, maar het was goed om op deze manier bezig te zijn. Ik werd gezien!!!! Er werd naar me geluisterd en niks van mijn gekke hersenkronkels was raar. Sterker nog, mijn gedachtengangen werden bewonderd.

Sepia bleek mijn middel. En heel langzaam ging het beter. Met ups en downs, maar met een duidelijke stijgende lijn. Er kwam balans en rust. Ik had ondertussen voor Jolien en Lars contact gehad met ene kineseologe en bij haar nam ik het laatste stapje. Ik liet me behandelen op de gevoeligheid op mijn eigen hormonen. Dat was de laatste drempel en ongeveer 10 jaar na de bevalling van Lars zei ik tegen Harold: nu weet ik hoe het voelt om ontzwangerd te zijn.

De tijd erna was licht, vrolijk. Ik voelde me jonger dan ooit, alsof de wereld aan mijn voeten lag. Alsof alles mogelijk was en alle keuzes open. Hoewel dat gevoel bleef, was het lastig om dit om te zetten in iets concreets, in een baan of carriere ofzo. Ik bleef me klein houden, liet met klein houden door de mensen om me heen. Bleef in de rol van huisvrouw en spotte daar zelfs mee. Tegelijkertijd stak het me als ik daardoor niet serieus genomen werd in gesprekken over werk en het zakenleven. Ook nu had ik weer een aparte kijk op dingen die werd afgedaan met ‘jij weet niet hoe het in het echte bedrijfsleven werkt’.

Ik bleef me, in wisselende periodes verdiepen in goed voedsel, spiritualiteit, de wereld om me heen en dergelijke. Ik ging studeren aan de kunstacademie in Arendonk. Elke vrijdag een hele dag naar school. Met totaal nieuwe mensen om me heen met allemaal dezelfde passie. Het werd mijn dag, ik denk dat Harold mijn studiegenoten hooguit 1x per jaar zag op de open dag. Het werd mijn wereld en ik vond het heerlijk. Ik had moeite met los komen uit het verhaal, maar vanaf het derde jaar vond ik mijn flow, mijn ding. Elke opdracht had hetzelfde patroon: ik probeerde eerst vanuit het verhaal iets te maken, dat lukte niet, ik werd boos, liet alles los en maakte de mooiste dingen. Er kwamen centrale thema’s in mijn werk: verstilling, (doorschijnend) licht, vormen en patronen uit de natuur. Deze thema’s kwamen ook steeds vaker terug bij de cursus glas in lood (of eigenlijk glastechnieken) die ik nog steeds volgde. Vooral het “schilderen met licht”, de reden waarom ik ooit met glas in lood ben begonnen, bleef staan als een huis.

Ik zocht en vond werk en werd weer ontslagen. Ik begon voor mezelf, eerst in kinderfeestjes en later als kunstenaar, maar het kwam nooit van de grond. Alles ging voor mijn werk als kunstenaar: het huis, de kinderen en allerlei andere zaken. Ondertussen was ik voor nogal wat mensen in de buurt een halve maatschappelijk werker geworden. Het leek wel of ons huis een soort eiland van rust en geluk was in roerig water. Ik voelde me daar veilig en ondanks dat het kriebelde om te gaan werken, om succes in werk of in mijn kunst te hebben, kwam het niet van de grond. Ik dacht echt dat ik het niet aan zou kunnen om meer hooi op mijn vork te nemen. En hoewel Harold altijd zei dat hij mij steunde en dergelijke, zou hij geen minuut minder gaan werken. Het voelde echt aan alsof ik alle extra activiteiten in mijn toch al drukke schema moest proppen. En daar zag ik tegenop.

Eigenlijk hield ik mezelf nog steeds klein en achteraf werd dat gestimuleerd door Harold. Ik denk niet dat hij dat bewust deed, of misschien wel. Maar ik heb de afgelopen tijd wat gelezen over gaslighting en ik denk dat wij wel in een vorm daarvan zaten.

Maar ik werd nog steeds sterker, ging op zoek naar werk, maar werd niet aangenomen. Ik ging tijd nemen voor mezelf, op regelmatige tijden naar mijn atelier, in weekenden naar kunstmarkten of op exposities staan. Alles in beperkte mate, met weinig geloof in mezelf en mijn onderneming. Maar ik probeerde het wel en was daardoor minder thuis.

Ik bleef aan mezelf werken, bleef me verdiepen. Maar bleef dat ook vooral voor mezelf houden. De keren dat ik dat niet deed, werden mijn meningen weer afgedaan als ‘niet relevant’ en zelfs een beetje neerbuigend: “ik vind het zo leuk dat jij daarin je tijdverdrijf vindt” Zoiets. Zoals in die reclame: “Ja schat,…..”.

Maar dat zie ik allemaal achteraf. In die jaren zelf, had ik het gevoel dat we het super hadden. We hadden het luxe, konden mooie vakanties maken, kopen wat we wilden, een fijn gezin, fijne vrienden en familie en we namen langzamerhand meer tijd voor elkaar. De kinderen konden best af en toe een middag alleen zijn of er kwam een oppas en we ondernamen weer dingen samen. We waren relatief jong ouders geworden en onze tijd kwam eraan!

Ik voelde me steeds beter en heb me in die jaren vlak voor de scheiding, de jaren waarvan ik dacht dat het de gouden jaren van ons huwelijk waren, wel eens af gevraagd of ik echt gegroeid was of dat ik mezelf wat wijs maakte. Hoe weet je wat je aankunt als alles zo ongelooflijk goed gaat?

En toen, voor mij als donderslag bij heldere hemel, kondigde Harold aan dat hij wilde scheiden. Hij was verliefd geworden op een collega. Ik ken hem goed genoeg om te weten dat het geen zin heeft om het nog te proberen. Om hem over te halen nog in therapie te gaan. In 1 klap is het over en uit.

Waar ik dacht de afgelopen jaren dat we weer samen aan het opbouwen waren, was dat bij hem heel hard proberen er nog iets van te maken.  Alleen hoorde ik dat pas bij de mediator aan tafel.

Maar vrijwel  in diezelfde klap dat het over en uit was, kwam er een oergevoel in mij. En dat is eigenlijk niet het goede woord. In de minuten na ‘de mededeling’ kreeg ik de definitieve bevestiging van mijn groei de afgelopen jaren, misschien wel een sprong in mijn bewustzijn. Want naast de wanhoop, het verdriet en later ook de woede, kwam er een basis in mij, vaste grond, iets diep in mij waarop ik kon staan. Eerst nog wankel, alsof je met je tenen net bij de grond kan in het zwembad, maar het was er en ik stond erop. Naast de chaos in mijn ‘buitenleven’, was er ineens een ongelooflijke rust en stevige basis in mijn ‘binnenleven’. En dat gaf naast alle andere gevoelens, zo’n ongelooflijk stoer gevoel. Zo’n geluk en levenskracht.

Nog steeds denk ik dat we eruit waren gekomen als we een jaar of 3 of 4 voor dat moment in therapie waren gegaan en met de kennis van nu weet ik dat dat gevoel van vaste basis dan ook wel gekomen was. Later of op een andere manier, maar het was onvermijdelijk. Maar nu was er  binnen een minuut een totaal andere situatie ontstaan: het instorten van mijn wereld en een wonder tegelijkertijd.

En dat oergevoel bleef. Iedereen noemde mij sterk, maar dat associeer ik met het doorzetten, doorgaan en doordouwen uit mijn jeugd. Ik was niet sterk, ik was juist zacht, vol compassie naar mezelf en ook naar Harold. Natuurlijk was ik ook boos, verdrietig, wanhopig soms, maar het oergevoel bleef eronder liggen als een basis. Ik heb me in die  hele periode ook geen moment ongelukkig gevoeld (eigenlijk nooit meer sinds ik ‘ontzwangerd’ was, bedenk ik me nu). Ik was van alles en liet de gevoelens ook toe, maar ik was niet ongelukkig. Hierdoor duurde de periodes van heftige negatieve emoties ook vrij kort en een aantal vrienden dachten dat ik nog wel een flinke terugslag zou krijgen. Vooral toen ik al binnen een paar weken begrip, compassie en vergeving vond voor Harold. En weer een paar weken later voor mezelf, toen ik mijn eigen rol in het geheel in beeld kreeg.

Ik was in staat om het mediator gedeelte zakelijk te houden. Harold ook, die is daar een kei in. Dat betekent dat we ook snel klaar waren. 2.5 maanden na het eerste gesprek met de mediator, tekenden we het convenant. En hoewel ik 2 jaar de tijd had, verhuisde ik na een jaar. Harold had de spullen opghaald die ik voor hem klaar had gezet. Hij wilde maar 15 dingen ofzo, maar daar ging ik niet mee akkoord. Er stond aardig wat klaar. Toch lag de taak om de rest van het huis uit te ruimen bij mij. Ruim 10 jaar leven met een gezin in een huis: dan heb je veel zooi.

Ik heb het meest moeten wennen aan het feit dat we geen team meer waren. Ik moest een klusjesman in ons huis halen om het verkoopklaar te maken en gereedschap lenen bij mijn vader omdat hij al het gereedschap na twee weken opgehaald had om bij zijn nieuwe liefde te klussen. Het huis wat we zo liefdevol verbouwd en opgeknapt hadden, was ineens mijn ‘last’. Dat soort dingen. Ineens werd mijn keuze om voor de kunst te gaan, afgekeurd als gehobby en ineens was ons geld, dat hij een maand geleden nog zo genoemd had, zijn geld en ik de profiteur.  Alleen mbt de kinderen bleven we een team, dat is ons gelukt en begint nu pas af te brokkelen, nu de jongste bijna op kamers gaat.

We bleken echter al jaren geen team meer. Hij zei bij de mediator dat hij al 4 jaar ongelukkig was en 2 jaar voor de scheiding ook al op het punt had gestaan om te scheiden. Ik had wel door dat het niet lekker ging, maar als ik erna vroeg gooide hij dat op drukte op het werk. Hij had mij bij wijze van spreken aan mijn haren naar de relatie therapie moeten slepen. Misschien dat we dan ook uit elkaar waren gegaan, maar dan hadden we het geprobeerd.

Ik zag echter al snel in, mede dankzij de compassie die bij het ‘oergevoel’ meegeleverd werd, dat hij daar simpelweg niet tot in staat was. Als hij had gekund, had hij het gedaan. Nu heeft hij 4 jaar in zijn eentje geprobeerd de boel te redden. Er was geen onwil. Er was onkunde. Hij was niet in staat om zo diep in zijn gevoel te gaan als nodig om ons huwelijk te redden. En dat is okee. Ik gun hem meer, maar dat komt later in dit leven of misschien zelfs in een volgend leven wel.

En nu kan ik me soms wel verbazen over zijn nieuwe leven. Daar pas ik inderdaad totaal niet in. Ik weet dat die gevoelige man die ik ooit leerde kennen er nog is, maar hij is heel diep weggestopt.  Ik kan me niet alleen verbazen, soms ben ook iets van jaloers: mooie vakanties, de kinderen een groot bedrag schenken, de vrijheid om te gaan en staan waar je wil. De kinderen waren nl vooral bij mij.

Hoe meer ik in het regelmatige leven van alledag terugkeerde, hoe moeilijker werd om het oergevoel te blijven voelen. In moeilijke periodes is het er altijd, in sleur merk ik dat het wegzakt. En dan wordt ik dus af en toe jaloers, hopeloos, down, ontevreden.

Ik weet dan dat ik aan de slag moet. Soms duurt het even voordat het zover is en dan weet ik dat het wel weer komt. Ik voel me er niet prettig bij. Het liefst heb ik energie voor 10, maar dat is nou eenmaal niet zo. En vooral niet op die dagen. Gelukkig gaan ze ook altijd weer voorbij.

 

Afgelopen maart werk ik ontslagen na twee maanden bij de baan waarvan ik dacht dat het mijn droombaan zou zijn, daar boven op kwam Corona en de lockdown en de wetenschap dat de jongste in september op kamers gaat in Leeuwarden (of all places) en ik dus alleen zal wonen. Het zorgen voor het gezin is definitief naar de marge teruggedrongen. Daar zie ik naar uit, ik ben er aan toe, maar ik besef me tegelijkertijd dat ik aan het werk moet om iets moois en zinvols van de komende jaren te maken.

Nu is het tijd voor echte actie. Tijd om mijn kunst, mijn ideeen over creativiteit en wellbeing en mijn ‘ik ben een vertaler’ om te zetten in een conreet bedrijf, waar ik genoeg geld mee verdien om een prettig, luxe leventje mee te leven.

Nu is de tijd gekomen waarop alles samen valt en ik al mijn ervaring, kennis, kunde, liefde, compassie, het ‘oergevoel’ en geluk inzet voor mezelf en om anderen te helpen.

 

 

Terugblik op en resultaten van training van kleurinzicht. Najaar 2018

NAV mijn naam en geboortedatum is met behulp van de nummerologie mijn kleuroscoop bepaald. Vervolgens zijn we met die kleuren gaan werken (verf, krijt ed) en hebben we een visionboard en zielskaarten gemaakt. In deze training ben ik dus al bezig geweest met mijn missie en hoe ik in het leven sta.

Mijn kleuren en waar ze voor staan:

Zielskleur: indigo

  • Reflectie, de blik naar binnen
  • Houden van zelfinzicht / inzicht
  • Daardoor terug naar de essentie
  • Verlangen naar oog voor detail / willen zien / vormgeven daarvan
  • Loyaliteit / gerechtigheid
  • Chackra 6: intiutief waarnemen (verlangen naar)
  • Verstilling en diepte
  • Bij disharmonie: streng voor zichzelf, serieus, oogkleppen, gebrek aan vertrouwen, pietje precies

Geschenkkleur: goud

  • De geschenkkleur is je basisenergie, je meest natuurlijke zijnsenergie / zijnstoestand. Het ondersteund het zielsverlangen
  • Eerlijkheid
  • Lichtkracht
  • Wijsheid
  • Royaal
  • Waarde toekennen aan iets
  • Rechtvaardigheidsgevoel
  • De heelheid / het volmaakte in dingen.

Levenskleur: violet

  • Levenskleur is de bril waarmee je naar de wereld kijkt / je grondhouding/ Het geeft inzicht in de talenten die je meegekregen hebt
  • Vertrouwen in het leven
  • Eigen visie
  • Originele mensen
  • Creatief voorstellingsvermogen
  • Creatief is understatement: meer artistiek
  • Toegewijd: vol op projecten
  • Eigen weg en waarden volgen
  • Intuitief
  • Spiritueel
  • Individualiste
  • Visie: visionair, ver voorbij de horizon kunnne kijken. Onontdekte mogelijkheden
  • Streven naar evenwicht
  • Valkuilen: hang naar perfectie, besluitenloos, in de fantasie leven, vlucht gedrag,
  • perfectioneisme, gevoelens van eenzaamheid

Persoonlijkheidskleur: geel

  • De kleur die je uitstraalt, zoals mensen je zien, hoej e in de buitenwereld overkomt, relatiekleur (hoe jij je verbindt), de poort naar buiten
  • Zonnetje in huis
  • Komen zelfverzekerd over
  • Optimistisch
  • Het is duidelijk: ze komt binnen
  • Stralend
  • Heeft een doel
  • Flexibel / veelzijdig
  • Alert
  • Snelle types / nerwerkers
  • Intelligent / snel in de mind / energie in het denken

Karmakleur: Magenta

  • Gaat over datgene waar we weerstand tegen hebben/ de schaduwkant / de te leren lessen in het leven / het grootste groeipotentieel / transformatiekracht
  • Leren om eigen behoefte niet op de achtergrond te plaatsen / trouw aan….
  • Bewust worden van je passie en je dromen
  • Eigenliefde ontwikkelen / we zijn goed zoals we zijn
  • Blijven hangen in ongewenste situaties / patronen omdat we het vaak buiten onszelf zoeken
  • Acceptatie / inzicht
  • Kern: oppakken van innerlijk leiderschap.

 

Na het maken van het vision board in de eerste bijeenkomst kwam een verlangen naar patronen en verbinding met de natuur en de kunst naar voren. De voorkeur naar de 4 elementen. Daarnaast zag Rietje dat ik mezelf toestemming mog geven om mijn verlangen te leven, ruimte te nemen en alles op stroom te brengen. Mijzelf viel het grote aandeel van ‘water’ in de afbeeldingen op. Op zich is dat niet zo gek, ik ben gek op het water. Alle vormen van water. Het geeft me rust en energie tegelijkertijd.

In het begin had ik moeite met zowel de zielskleur indigo (het is zo donker) en goud (wat moet ik daar nou mee). In de loop van het proces ging ik de diepte en veelzijdigheid van de kleur indigo waarderen en ook steeds meer zien in het dagelijksleven: in de donkere lucht, de schaduwen in het bos, in de zee en op veel meer plekken. Ik bleek ook veel kleding in die kleur te hebben en dat waren de de meest comfortabele kledingstukken die ik had.

Om er meer feeling mee te krijgen ben ik met echte indigo stoffen gaan verven. Dat proces is een heel natuurlijk, biologisch proces, waarbij allerlei elementen gebruikt worden. Als je het mengsel aan maakt ontstaat er een groenachtige vloeistof met een gouden gloed. De stof komt er vervolgens groen uit en wordt onder invloed van zuurstof in de lucht, blauw.

Het mooie is dat ik door dit proces een woord vond dat belangrijk voor me werd: MAGIE

De geschenkkleur goud zie ik vooral als het gouden licht. De zon die door de bladeren schijnt of door een mooi stuk glas, de kleur van de ondergaande zon (in het begin van de zonsondergang). De kleur goud gaat voor mij toch wel over het GODDELIJKE LICHT .

Tijdens een wandelvakantie tussen de trainingsdagen door, heb ik wel een aantal dingen ontdekt mbt mijn kleurenpalet. Ik gebruik mijn gele kant ook vaak als een soort masker om niet de diepte in te hoeven. Door mijn rol als kunstenaar uit te buiten: de kunstenaar kan een beetje exentriek zijn. Later in de week vroegen wat mensen door over inspiratie en dergelijke. Dan komt mijn violette persoonlijkheid wel meer naar voren.  Ik ben dan wel snel bang dat ik te veel over mezelf praat. NAV dat gesprek had ik wel het volgende gevoel:

 

“ik wil mensen laten kijken hoe ik kijk: verwonderen, oog voor het mooie, oog voor verbanden. Met als doel te genieten van deze mooie aarde en in harmonie met haar leven. Er is altijd iets te verwonderen te genieten en dankbaar voor te zijn.

Ook kwam de zin “iedereen is creatief” naar boven. Dit voel ik al heel lang, als kind al en het bleek dat bovenstaand ermee te maken heeft om anderen die creativiteit te laten beleven.

De term creativiteitstraining komt steeds boven, maar ook sociale verbanden. En in mijn boek van de training heb ik de volgende tekst geplakt:

Er kunnen duizenden kaarsen worden aangestoken met het licht van 1 kaars en de levensduur van die kaars wordt niet minder. Geluk kun je delen zonder dat van jezelf in te leveren.

Een aantal weken later schreef ik:

De schoonheid in je manier van kijken / zien, dat leidt tot creativiteit. Schoonheid zien in alles: natuur, mensen, processen, stromen, stad, stenen, muziek, kunst enz enz enz. Hierbij kan schoonheid ook vervangen worden door vreugde.

Ik merk steeds vaker dat ik mensen vreugde wil schenken. Dat is blijheid, maar dan duurzamer en met een vorm van dankbaarheid.

In de vierde bijeenkomst ging het met name om emoties. Toen bleek dat afgewezen worden nog een thema is. Of eigenlijk meer een stuk non-acceptatie. Dat komt wel overeen met het grote thema uit mijn levnesverhaal: niet gehoord, niet gezien, mijn mening/visie wordt niet serieus genomen.

Als laatste hebben we een zielskaart gemaakt dmv collage techniek (ik maakte er twee, maar thema’s waren hetzelfde). Samen met de resultaten van de training, blijven er drie termen terugkomen die in een driehoek staan tov elkaar.

Magisch licht

vreugde doorgeve

patronen

 

Ook komen er herinneringen boven uit mijn kindertijd, waarin ik al veel wijsheid die ik nu terugvind, had.

Als laatste schrijf ik het volgende. En dat is toch wel een de kern, denk ik. Samen met de bovenstaande termen.

“als je het licht ziet, zie je de magie.

Als je de magie ziet, wordt het lichter”